Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Veiligheid en Milieu

Bijna helft maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid door verloren levensjaren

Bijna helft maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid door verloren levensjaren

Bijna helft maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid door verloren levensjaren

Toelichting


Verdeling van maatschappelijke kosten verkeersonveiligheid over diverse kostenposten, 2013. Bron: KiM-raming gebaseerd op De Wit en Methorst (2012).



  • De verkeersdoden en -gewonden die jaarlijks vallen, leiden tot maatschappelijke schade. Deze schade is deels materieel en deels immaterieel. Beide typen kosten zijn in geld uit te drukken. Het KiM raamt de totale kosten van verkeersonveiligheid voor 2013 op 12,2 tot 14,5 miljard euro. Dit komt neer op 2 tot 2,4 procent van het bruto binnenlands product.

  • De immateriële schade, ofwel de verloren levensjaren, levert de grootste kostenpost, gevolgd door de (materiële) schade aan voertuigen. Een kleiner deel van de schade wordt veroorzaakt door productieverlies (de verloren gegane productie van verkeersslachtoffers door ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en dergelijke) en de afhandelingskosten van politie, justitie, brandweer en verzekeringsmaatschappijen. Medische kosten en de kosten van files, veroorzaakt door verkeersongevallen, leveren relatief kleine kostenposten.

Verdieping en verklaring

  • De raming van de maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid voor 2013 is een ruwe schatting gebaseerd op De Wit en Methorst (2012). Voor 2013 is een inschatting gemaakt van deze kosten gebaseerd op de aantallen doden, ernstig gewonden, licht gewonden en ongevallen met uitsluitend materiële schade. Eerdere inschattingen van de kosten van de verkeersonveiligheid lagen hieraan ten grondslag. Problematisch is dat recente informatie ontbreekt over het aantal ernstig en licht gewonden en het aantal ongevallen met uitsluitend materiële schade. Daarom is in de raming van deze aantallen rekening gehouden met marges waarbij een onder- en bovengrens van +/- 10 procent is verondersteld.

  • Overigens is de raming mogelijk nog aan de lage kant doordat het productieverlies als gevolg van tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid is onderschat (De Wit & Methorst, 2012). De omvang van deze onderschatting zou mogelijk 0,5 miljard euro kunnen bedragen. Daarnaast zijn in de raming geen immateriële kosten voor licht gewonden verdisconteerd (SWOV, 2014b), wat zou kunnen uitkomen op een onderschatting van ongeveer 1,5 miljard euro.

Gebruikte afkortingen