Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Personenvervoer

Vaker en verder per fiets

Vaker en verder per fiets

Vaker en verder per fiets

Toelichting


Bijdrage van vaker verplaatsen, verder verplaatsen en meer mensen aan de groei van het totale aantal fietskilometers tussen 2004-2014, in procentpunten. Bron: RWS/CBS, MON/OViN; bewerking KiM.



  • Sinds 2004 is het fietsgebruik (de optelsom van het aantal op gewone en e-fietsen afgelegde kilometers) toegenomen met 9 procent.
  • Zowel de groei van het aantal mensen dat fietst als de toegenomen mobiliteit per persoon (vaker en verder verplaatsen) dragen bij aan het grotere aantal fietskilometers.
  • Het fietsgebruik is vooral toegenomen voor vrijetijdsverplaatsingen, verplaatsingen naar en van onderwijsinstellingen en woon-werkverplaatsingen. Voor winkelen fietsen Nederlanders minder vaak ten opzichte van tien jaar geleden.
  • Een groot deel van het toegenomen fietsgebruik komt voor rekening van de e-fiets, die vooral ouderen vaak gebruiken (zie ‘E-fiets wordt steeds meer gebruikt door volwassenen jonger dan 65 jaar en steeds vaker ook voor werk en winkelen’).

Verdieping en verklaring


Bijdrage van vaker en verder fietsen, in procentpunten, aan de groei van het totale aantal fietskilometers tussen 2004 en 2014, uitgesplitst naar geslacht, leeftijd en motieven. Bron: RWS/CBS, MON/OViN; bewerking KiM.



  • Vrouwen zijn de fiets vaker gaan gebruiken voor hoofdzakelijk werk- en onderwijsdoeleinden. Bij mannen is met name het fietsgebruik voor vrijetijdsdoeleinden toegenomen, naast onderwijs en werk. Opvallend is dat vooral vrouwen van 40 jaar en ouder vaker en verder zijn gaan fietsen, terwijl de groei bij mannen zich ook manifesteert bij jongeren tot 30 jaar. De sterkste groei doet zich echter voor bij de 60-plussers, zowel onder mannen als onder vrouwen.
  • De groei van het fietsgebruik voor verplaatsingen naar en van het werk hangt samen met de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen. Hiernaast zijn het de 60-plussers die vaker de fiets naar en van het werk nemen (zowel bij mannen als bij vrouwen, zie ook ‘Autokilometers sinds 2008 vrijwel op gelijk niveau gebleven’). Ook zijn de woon-werkafstanden groter geworden.
  • De leeftijdsgroep tot en met 29 jaar zorgt er vooral voor dat het fietsgebruik voor verplaatsingen naar en van onderwijsvoorzieningen toeneemt (zowel bij mannen als bij vrouwen). Dit hangt samen met de hogere onderwijsdeelname in deze groep. Ook lijkt er een verschuiving te zijn van lopen naar fietsen. Hierbij gaat het vooral om kinderen in het basisonderwijs, die blijkbaar steeds minder vanzelfsprekend naar een school in de buurt gaan. Dit verschijnsel kan te maken hebben met zowel het aanbod (het verdwijnen van lokale vestigingen van scholen) als de vraag (een voorkeur voor bijzondere onderwijsvormen, echtscheidingen waarbij ouders niet meer in dezelfde buurt blijven wonen).
  • De groei van het fietsgebruik voor vrijetijdsdoeleinden komt grotendeels voor rekening van de 60-plussers. Enerzijds omdat hun gezondheidssituatie gemiddeld genomen is verbeterd. Anderzijds omdat de beschikbaarheid van een elektrische fiets het fietsgebruik onder senioren heeft bevorderd (zie ook ‘Vaker en verder per fiets’).
  • Voor winkelen pakken Nederlanders de fiets gemiddeld juist minder vaak (maar wel over iets grotere afstanden). Mogelijk speelt de economische recessie hierbij een rol, met de na 2008 teruglopende detailhandelsomzetten (Raatgever, 2014). Ook het toenemend belang van virtueel winkelen zou een rol kunnen spelen, hoewel harde bewijzen hiervoor vooralsnog ontbreken (zie Achtergrond ‘De invloed van webwinkelen op mobiliteit’).
  • Jaar-op-jaarfluctuaties in het fietsgebruik blijken voor een belangrijk deel te kunnen worden herleid tot het weer: temperatuur, sneeuwdagen en uren zonneschijn hebben een significante invloed op het fietsgebruik (zie Achtergrond ‘De invloed van het weer op fietsgebruik’).
Gebruikte afkortingen