Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Regionale mobiliteit personen

Fiets in veel gevallen belangrijkste vervoerwijze voor woon-werkverplaatsingen binnen steden

Fiets in veel gevallen belangrijkste vervoerwijze voor woon-werkverplaatsingen binnen steden

Fiets in veel gevallen belangrijkste vervoerwijze voor woon-werkverplaatsingen binnen steden

Toelichting


Modal split van woon-werkverplaatsingen binnen 22 steden, gemiddelden over de jaren 2010-2014. Bron: CBS OViN (2010-2014); bewerking KiM.



  • Voor woon-werkverplaatsingen met een herkomst en bestemming in hetzelfde stedelijke gebied maken inwoners van Amsterdam en Utrecht relatief veel gebruik van de fiets, terwijl ze in Den Haag en Rotterdam juist vaker de auto gebruiken.
  • Het aandeel lokale verplaatsingen per openbaar vervoer ligt in de vier grote steden (G4) aanzienlijk hoger dan daarbuiten. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag omvat het lokale openbaar vervoer ruim 10 procent van alle verplaatsingen, in Utrecht ongeveer 5 procent en in de andere onderzochte steden gemiddeld 2 procent.
  • Buiten de G4 speelt de auto een relatief beperkte rol in met name Groningen, Zwolle en Leiden, met een aandeel in alle lokale verplaatsingen van 30 procent of minder. Opvallend is dat in steden in Brabant en Limburg de auto juist relatief vaak wordt gebruikt: in alle gevallen in meer dan 40 procent van alle lokale verplaatsingen.
  • De fiets is voor lokale verplaatsingen vooral populair in Groningen, Leeuwarden, Zwolle, Amersfoort en Leiden, met een aandeel van 40 procent of meer. In Arnhem, Breda, Tilburg, Sittard, Heerlen en Maastricht fietsen mensen juist relatief weinig: het aandeel fiets in de lokale verplaatsingen is hier 30 procent of minder.
  • Er zijn niet alleen grote verschillen tussen steden, maar ook binnen de steden: in sommige wijken binnen steden worden verschillen in het gebruik van een vervoerwijze vooral bepaald door de sociaal-demografische samenstelling van de bevolking, terwijl in andere wijken sociaal-culturele aspecten doorslaggevend lijken te zijn (zie verder Achtergrond ‘Ruimtelijke variaties in belang verklarende factoren’).

Verdieping en verklaring


Onderzochte factoren die een verklaring bieden voor de verschillen tussen gebieden in auto-, trein- en fietsgebruik voor woon-werkverplaatsingen.



  • Vier factoren zijn het meest van invloed op de verschillen tussen steden in auto-, trein- en fietsgebruik voor woon-werkverplaatsingen:
    • De demografische samenstelling naar leeftijd: In gebieden met een relatief jonge bevolking ligt het autogebruik voor woon-werkverplaatsingen lager dan in gebieden met een groter aandeel ouderen. Voor het fiets- en treingebruik is het verband complementair: in gebieden waar veel jongeren wonen, wordt vaker per fiets en trein naar en van het werk gereisd dan in gebieden waar relatief meer ouderen wonen.
    • De demografische samenstelling naar huishoudenstype: In gebieden met relatief veel eenpersoonshuishoudens zonder kinderen ligt het autogebruik voor woon-werkverplaatsingen lager dan in steden met een groter aandeel gezinnen met kinderen. Voor het trein- en fietsgebruik geldt het omgekeerde: in gebieden waar veel eenpersoonshuishoudens zonder kinderen wonen, wordt er verhoudingsgewijs vaker per trein en fiets naar en van het werk gereisd.
    • De sociaal-economische samenstelling: In gebieden met een gemiddeld hoog inkomen gebruiken inwoners relatief vaak de fiets en de trein voor woon-werkverplaatsingen. In gebieden met overwegend lage inkomens daarentegen gebruiken ze de auto.
    • Sociaal-culturele samenstelling: In gebieden met een hoog aandeel niet-westerse allochtonen (zoals in delen van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag) fietsen inwoners minder vaak voor woon-werkverplaatsingen.
    • Ook de ruimtelijke inrichting van gebieden lijkt een rol te spelen als verklaring voor verschillen in auto, trein- en fietsgebruik tussen gebieden: een hoge bebouwingsdichtheid en de beperkte afstand tot voorzieningen lijken samen te gaan met een hoog trein- en fietsgebruik en een laag autogebruik.
    • Uiteraard zijn er voor de verklaring van de verschillen tussen steden in auto-, trein- en fietsgebruik voor woon-werkverplaatsingen ook andere factoren van belang, zoals verschillen in aanbod van infrastructuur, parkeertarieven en verschillen in mobiliteitsbeleid (zie ook KiM, 2014a). Idealiter zou de invloed van dergelijke variabelen ook in de analyses worden verdisconteerd. Helaas ontbreken daarvoor de benodigde gegevens (van voldoende kwaliteit).
  • De bevolkingssamenstelling naar sociaal-culturele (allochtonen), sociaal-economische (inkomen), sociaal-demografische (naar leeftijd en huishoudenssamenstelling) kenmerken biedt zo een belangrijke verklaring voor de verschillen in het aandeel auto-, trein- en fietsgebruik voor woon-werkverplaatsingen. Daarnaast zijn, in samenhang met de bevolkingssamenstelling, ook ruimtelijke variabelen van belang, hoewel in mindere mate: bebouwingsdichtheid en de afstand tot voorzieningen (zie verder Achtergrond ‘Toelichting op resultaten’ en ‘Ruimtelijke variaties in belang verklarende componenten’).
  • Er bestaan grote variaties in het belang van de onderscheiden factoren binnen stedelijke gebieden. Met andere woorden: in sommige wijken binnen steden worden de verschillen in vervoerwijzegebruik vooral bepaald door de sociaal-demografische samenstelling van de bevolking, waar in andere wijken sociaal-culturele aspecten doorslaggegevend lijken te zijn. Verklaringen voor de verschillen in mobiliteit tussen steden moeten dus met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Er kunnen binnen steden die van elkaar verschillen, immers evengoed wijken zijn die juist grote overeenkomsten vertonen (zie verder Achtergrond ‘Ruimtelijke variaties in belang verklarende componenten’).
Gebruikte afkortingen