Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Verkeersveiligheid en milieu

Aantal verkeersdoden blijft sinds 2013 gelijk, aantal ernstig gewonden lijkt te dalen

Aantal verkeersdoden blijft sinds 2013 gelijk, aantal ernstig gewonden lijkt te dalen

Aantal verkeersdoden blijft sinds 2013 gelijk, aantal ernstig gewonden lijkt te dalen

Toelichting


Ontwikkeling van het aantal verkeersdoden (links), 2004-2014, en het aantal ernstig gewonden (rechts), 2004-2013. Bron: CBS Statline; bewerking KiM (links) en SWOV (2015); bewerking KiM (rechts).



  • In 2014 vielen er 570 doden in het verkeer: hetzelfde aantal als in 2013. Dat betekent een stabilisatie nadat het aantal verkeersdoden in 2013 met 12 procent was gedaald. Sinds 2004 (881 doden) daalde het aantal verkeersdoden met 35 procent.
  • Veruit de meeste verkeersdoden vallen onder automobilisten (187) en (e-)fietsers (185). Beide groepen zijn goed voor een derde van het totale aantal verkeersdoden. Van de overige verkeersdoden is 13 procent een brom-/snorfietser, 9 procent een voetganger, 10 procent een motorfietser en 3 procent een inzittende van bestel-/vrachtauto.
  • Het aandeel kwetsbare verkeersdeelnemers (voetganger, (e-)fietser, brom-/snorfietser, motorrijder) in het totale aantal verkeersdoden is toegenomen van 49 procent in 2004 naar 64 procent in 2014. Het aandeel inzittenden van een personen-, bestel- of vrachtauto in het aantal verkeersdoden daalde tussen 2004 en 2014 van 50 naar 35 procent.
  • Als voor elke vervoerwijze het aantal verkeersdoden wordt gerelateerd aan de gereisde kilometers (het zogeheten risico), dan blijkt dat (e-)fietsers per afgelegde kilometer een kans hebben om dodelijk te verongelukken die negen keer hoger is dan die van auto-inzittenden. Voor voetgangers is de kans om dodelijk te verongelukken ten opzichte van auto-inzittenden per kilometer tien keer groter, en voor brom-/snorfietsers ruim zestig keer.
  • Het aantal ernstig gewonden steeg tussen 2004 en 2013 met 16 procent tot een totaal van bijna 18.800. Het aantal ernstig gewonden steeg tussen 2006 en 2011 van 16.200 naar 19.700. Sinds 2012 is er sprake van een daling. De cijfers over de laatste jaren dienen echter met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd (SWOV, 2014a), vanwege onder andere de beperkte kwaliteit van de beschikbare data. Het aantal ernstig gewonden met de ernstigste letselcategorie is sinds 2006 toegenomen (zie Achtergrond: Verdeling ernstig gewonden over letselcategorieën).
  • Fietsers leveren de grootste bijdrage aan het aantal ernstig gewonden: 60 procent van alle ernstig gewonden zijn (e-)fietsers. Bij grofweg vijf van de zes gewonden was geen motorvoertuig bij het ongeval betrokken (SWOV, 2014b).

Verdieping en verklaring


Het aantal verkeersdoden per leeftijdsgroep in 2004 en 2014, totaal (boven), onder personenauto-inzittenden (linksonder) en onder fietsers (rechtsonder). Bron: CBS Statline; bewerking KiM.



  • Het aantal verkeersdoden daalde tussen 2004 en 2014 met gemiddeld 4,3 procent per jaar.
  • De daling van het aantal verkeersdoden is ongelijk verdeeld over de leeftijdsgroepen. In de leeftijdsgroepen tot 70 jaar daalde het aantal verkeersdoden tussen 2004 en 2014 met 3 à 4,5 procent per jaar, afhankelijk van de leeftijdscategorie. In de categorie 70-plussers daalde het aantal verkeersdoden tussen 2004 en 2014 niet (205 in 2004 en 209 in 2014). Deze ongelijke verdeling heeft deels te maken met veranderingen in de bevolkingssamenstelling en de verandering in het aantal afgelegde kilometers per persoon en deels met veranderingen in het risico (zie ook Achtergrond ‘Daling risico auto-inzittenden door veiliger auto’s en weginrichting’).
  • Het aantal verkeersdoden is ook ongelijk over de modaliteiten verdeeld. Het jaarlijks aantal doden onder inzittenden van personenauto’s is sinds 2004 meer dan gehalveerd: van 420 naar 187. Bij fietsers is het aantal doden licht gestegen (bijna 3 procent). Deze stijging heeft zich vooral voorgedaan onder 70-plussers: van 90 naar 121 doden (+42 procent). Zie ook Achtergrond ‘Risico-ontwikkeling bij oudere fietsers relatief ongunstig’.
  • Van de geregistreerde fietsdoden in 2013-2014 reed 13 procent op een elektrische fiets. Van hen waren er bijna negen van de tien ouder dan 60 jaar. Het aandeel van de e-fiets in het aantal fietskilometers van de groep ouder dan 12 jaar bedroeg in 2013-2014 circa 12 procent (zie ‘E-fiets wordt steeds meer gebruikt door volwassenen jonger dan 65 jaar en steeds vaker ook voor werk en winkelen’). Bij het merendeel van de doden onder de fietsers waren motorvoertuigen betrokken.
  • In de periode 2004-2014 is het aantal verkeersdoden onder fietsers (+3 procent) minder snel toegenomen dan het aantal fietskilometers (+9 procent). Per saldo daalde dus het overlijdensrisico, gedefinieerd als het aantal doden gedeeld door het aantal gereisde kilometers.
  • Voor auto-inzittenden daalde het overlijdensrisico tussen 2004 en 2014 nog veel sterker dan voor fietsers: het aantal doden daalde met 55 procent terwijl het aantal reizigerskilometers met 1 procent afnam. Deze daling bij auto-inzittenden is deels te herleiden tot veiliger auto’s. Denk daarbij aan de toepassing van airbags, cruise control, antiblokkeersystemen en dergelijke. Daarnaast is de weginrichting veiliger geworden door onder andere de aanleg van rotondes en 30- en 60-kilometerzones (zie ook Achtergrond ‘Daling risico auto-inzittenden door veiliger auto’s en weginrichting’).
  • Over de aantallen ernstig verkeersgewonden per modaliteit of leeftijdsgroep is sinds 2009 geen informatie meer voorhanden (SWOV, 2014a). Om toch iets te kunnen zeggen over de verdeling naar modaliteiten heeft SWOV recentelijk analyses uitgevoerd op basis van de in de Landelijke Medische Registratie (LMR) geregistreerde gewonden (SWOV, 2014a; zie ook Achtergrond ‘Ontwikkeling aantal ernstig gewonde fietsers’).
Gebruikte afkortingen