Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Verkeersveiligheid en milieu

Bijna helft maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid door verloren levensjaren

Bijna helft maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid door verloren levensjaren

Bijna helft maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid door verloren levensjaren

Toelichting


Globale verdeling van maatschappelijke kosten verkeersonveiligheid over diverse kostenposten. Bron: De Wit en Methorst (2012); bewerking KiM (middeling tussen jaren 2003, 2006, 2009).



  • Het KiM raamt de totale kosten van verkeersonveiligheid voor 2014 op 12,2 tot 14,5 miljard euro. Dit komt neer op ongeveer 2 procent van het bruto binnenlands product. De maatschappelijke schade die het gevolg is van de verkeersdoden en -gewonden die jaarlijks vallen, is deels materieel en deels immaterieel, de verloren gezonde levensjaren. Beide typen kosten zijn in geld uit te drukken.
  • De immateriële schade levert de grootste kostenpost, gevolgd door de (materiële) schade aan voertuigen. Een kleiner deel van de schade wordt veroorzaakt door productieverlies (de verloren gegane productie van verkeersslachtoffers door ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en dergelijke) en de afhandelingskosten van politie, justitie, brandweer en verzekeringsmaatschappijen. Medische kosten en de kosten van files, veroorzaakt door verkeersongevallen, leveren relatief kleine kostenposten.

Verdieping en verklaring

  • De maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid voor 2014 zijn een ruwe schatting gebaseerd op De Wit en Methorst (2012). Voor 2014 is de inschatting van deze kosten gebaseerd op de aantallen doden, ernstig gewonden, licht gewonden en ongevallen met uitsluitend materiële schade. Eerdere inschattingen van de kosten van de verkeersonveiligheid lagen hieraan ten grondslag. Problematisch is dat recente informatie ontbreekt over het aantal ernstig en licht gewonden en het aantal ongevallen met uitsluitend materiële schade. Daarom is in de raming van deze aantallen rekening gehouden met marges waarbij een onder- en bovengrens van +/-10 procent is verondersteld.
  • Overigens is de raming mogelijk nog aan de lage kant doordat het productieverlies als gevolg van tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid is onderschat (De Wit & Methorst, 2012). De omvang van deze onderschatting bedraagt mogelijk 0,5 miljard euro. Daarnaast zijn in de raming geen immateriële kosten voor licht gewonden verdisconteerd (SWOV, 2014e), wat zou kunnen uitkomen op een onderschatting van ongeveer 1,5 miljard euro.
Gebruikte afkortingen